Hoe werkt de BMI?
De Body Mass Index wordt met behulp van een eenvoudige formule berekend: BMI = gewicht : lengte2. Om je BMI te berekenen, hoef je jezelf dus alleen maar te wegen en te meten. De formule werd door een statisticus entwickelt om verbanden tussen gezondheid en gewicht beter te kunnen analyseren. Tegenwoordig wordt de BMI steeds vaker bekritiseerd. Onderzoekers, trainers en activisten stellen soms alternatieve berekeningen voor. Deze zijn echter ingewikkelder en niet eenduidig. De werkelijke BMI maakt daarentegen een snelle inschatting van het lichaamsgewicht mogelijk. Desondanks zou je naast de BMI vooral rekening moeten houden met de berekening van het lichaamsvet – vooral als je doel bestaat uit vetreductie, bijv. door verandering van voeding of duurtraining.
In welk bereik ligt een normale BMI?
De World Health Organisation (WHO) bepaalt welke BMI als normaal geldt. Volgens deze richtlijn heeft iemand ondergewicht bij een Body Mass Index unter 18,5. Overgewicht begint bij een BMI van 25, obesitas bij een BMI van 30. Er bestaan echter verschillende alternatieve classificaties. Mannen hebben vaak een lager vetpercentage dan vrouwen. Omdat vet ook een rol speelt bij de hormoonregulatie, heeft dit natuurlijke oorzaken. Dit heeft ook invloed op de gewenste BMI: bij mannen kan een BMI onder 20 al kritiek zijn. Dit hangt echter altijd af van het individuele geval. Deze richtwaarden gelden alleen voor volwassenen. Kinderen en jongeren zijn nog in de groei en hun lichaam heeft andere verhoudingen dan het lichaam van een volwassene. Daarom wordt hier gewerkt met groeicurven met normaalwaarden om de BMI in te schalen.
Lichaamsvet meten
Er zijn verschillende mogelijkheden om je persoonlijke vetpercentage te meten. Een eenvoudige methode is de lichaamsvetweegschaal. Deze stuurt na het wegen een lichte stroomstoot door het lichaam. Verschillende soorten weefsel geleiden de stroom niet op dezelfde manier – hieruit kan de weegschaal berekenen hoe hoog het spier-, vet-, water- en botpercentage in het lichaam is. Zwangere vrouwen, mensen met koorts, dragers van een pacemaker en enkele anderen mogen deze weegschalen echter niet gebruiken. Lichaamsvetweegschalen zijn handig voor dagelijks gebruik – maar soms onnauwkeurig. Dit hangt echter af van het specifieke model. Het meten van lichaamsvet is ook mogelijk met een speciale tang, die bekendstaat als huidplooimeter. Aan drie stellen (bovenarm, bovenbeen, buik) wordt de dikte van de vetlaag gemeten. Vervolgens kan hieruit een totaalwaarde worden berekend.
Hoe hoog moet het vetpercentage zijn?
Als het vetpercentage eenmaal gemeten is, gaat het om de vraag: wat betekent dit getal nu? Ook hier is het onderscheid tussen mannen en vrouwen en tussen verschillende leeftijdsgroepen belangrijk. Voor vrouwen tussen de 20 en 39 jaar geldt een vetpercentage van 21 % tot 32 % als normaal. Voor sportsters ligt deze waarde echter op 12–25 %. Kritiek wordt het wanneer het vetpercentage onder de 12 % (volgens sommige bronnen onder de 8 %) daalt. In dat geval zijn ongewenste bijwerkingen zoals het uitblijven van de menstruatie mogelijk. Het uitblijven van de menstruatie verandert de hormoonhuishouding en verhoogt bijvoorbeeld het risico op osteoporose – ook bij jonge vrouwen. Voor mannen in de leeftijd van 20 tot 39 is 9–20 % lichaamsvet normaal. Mannen hebben gemiddeld een ongunstigere vetverdeling dan vrouwen: bij hen hoopt het vet zich vaak op bij de buik. Een bierbuik is een gezondheidsrisico, omdat het de organen als het ware in vet laat zwemmen, wat de werking ervan kan belemmeren. Mannelijke atleten kunnen een vetpercentage van 3–15 % hebben. De meeste lichaamsvetweegschalen analyseren ook het aandeel spiermassa. Voor volwassen mannelijke sporters is in de regel een waarde van meer dan 42 % strevenwaardig. Vrouwen zouden moeten streven naar een spierpercentage van meer dan 38 %.
BMI, lichaamsvet en fitness
Sporters die aan intensieve krachttraining doen, hebben soms een BMI die theoretisch in de categorie overgewicht of obesitas valt – toch hebben ze bijna geen gram vet op hun lichaam. Bij sporters is het daarom bijzonder zinvol om naast de BMI ook het vet- en spierpercentage in de gaten te houden. Dit geldt vooral voor bodybuilders en gewichtheffers bij Krafttraining. Een normale Body Mass Index gaat echter niet automatisch gepaard met een beter fitnessniveau. Wie zichzelf slank hongert, maar niet sport, kan zelfs een schrikbarend hoog vetpercentage hebben. Een vrouw met een BMI van 22 en een vetpercentage van 23 % ziet er bovendien slanker aus dan dezelfde vrouw met een vetpercentage van 30%. Vetverbranding kan dus ook een positief effect hebben op het uiterlijk. Wie overtollige kilo's met zich meedraagt, moet bij de training extra voorzichtig zijn. Door het extra gewicht worden vooral de gewrichten extra belast. Bovendien is een gezondheidscheck bij de arts sowieso verstandig wanneer je begint met fitnesstraining.
BMI-calculator
Met behulp van onze BMI-calculator kun je je eigen BMI-waarde bepalen.
Voer je gegevens in voor de BMI-berekening
Aanbevelingen voor fitnessapparaten voor vetverbranding
Loopband AsVIVA T24 Bluetooth Compact Runner
✓ 4-voudige meerlaagse demping
✓ Extreem compact & plat inklapbaar
✓ One-Touch-computer
✓ Energie-efficiënte 2,0 PS elektromotor
✓ Inclusief afstandsbediening (bediening)
meer details
Hometrainer & ergometer AsVIVA H21 Pro Wi-Fi
✓ 12 trainingsprogramma's
✓ Compatibel met Polar T34 borstband
✓ Bluetooth voor hartslagmeting
✓ Multifunctionele fitnesscomputer
✓ Hometrainer- & ergometerfunctie
✓ Internetverbinding via Wi-Fi
meer details